Voorwoord
Toen ik jong was, wilde ik Kuifje worden. Nu ik het dagboek van de eerste zeereis van mijn vader lees, geschreven toen hij 17 jaar oud was, besef ik dat ik dat idee niet van een vreemde heb gekregen. Opgegroeid tijdens de Tweede Wereldoorlog en volwassen geworden in de late jaren veertig, verlangde hij naar de warme tropen of naar welke verre bestemming dan ook. In 1951 wist hij met succes een baan te bemachtigen op een stoomvrachtschip, de SS Overijsel. Hij werd via de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij (VNS), een samenwerkingsverband van verschillende Nederlandse rederijen, uitgezonden naar de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd.
Zijn eerste zeereis voerde hem van Rotterdam naar Bremen, Genua, het Suezkanaal, Aden, Singapore, Hongkong, Manilla, Yokohama, Cebu en in 1952 terug naar Rotterdam, met Hamburg als laatste opdracht. Het moet een magische reis zijn geweest, vol avontuur.
Soms kregen zijn overtuigingen, geworteld in de christelijke leer, voorrang boven zijn ervaringen met de ‘inlanders’. De politieke achtergrond van deze reis werd gevormd door de Chinese Burgeroorlog en de Koreaanse Oorlog (1950–1953), waarin China intervenieerde, een van de eerste conflicten van de Koude Oorlog. In Hongkong was mijn vader getuige van een grote toestroom van vluchtelingen uit het Chinese vasteland, wat leidde tot een spectaculaire bevolkingsgroei: tussen 1945 en 1951 steeg het aantal inwoners van 600.000 naar 2,1 miljoen.
Zonder zijn dagboek zou deze reis verloren zijn gegaan in de tijd. Ik heb de oorspronkelijke Nederlandse tekst gedigitaliseerd, geschreven in het Nederlands van de jaren vijftig, waarbij ik de verouderde spelling heb behouden.
The ss Overijssel of the Royal Rotterdam Lloyd moored in the harbour of Tandjong Priok. West Java, Indonesia, August 1947.